Menu

Kies tot vrijheid

0 Comments

6e zondag door het jaar / 16 februari 2020

Kies tot vrijheid

 De boodschap van het Nieuwe Testament bouwt voort op het Eerste Verbond. De prediking van Jezus zoals die in de Bergrede een begin vindt, kan niet zonder de dragende verhalen van het volk van Israël, het Godsvolk. Wat eens is verwoord, krijgt zijn vervulling in het leven, de dood en de opwekking van Jezus. Vervulling: op een geheel nieuwe wijze draagt Jezus het Woord van God uit en is zelf dat uiteindelijke Woord. Jezus is de nieuwe Tora, zegt Paulus. En nu? Wat kunnen we met deze ‘hoge boodschap’? Een van de belangrijke aspecten van de boodschap van Jezus (en dus ook de onze) is dat deze in een hele brede context staat. De opdracht van God – zijn voorschriften, wetten en geboden – hebben een lange geschiedenis. Jezus bouwt voort op de Vaderen van het Eerste Verbond. En wij mogen weer dat Woord van God, dat in Jezus zijn uiteindelijke vorm heeft gekregen, in onze tijd doorvertellen én concreet maken. Vervullen.

Exegetische notities Evangelie Matteüs 5,17-37
Het Matteüsevangelie ontstond na de vernietiging van de Tweede Tempel. Het was de tijd waarin het rabbijnse Jodendom bezig was zich uit de farizese beweging te ontwikkelen, waarin zich een breuk aftekende tussen deze hoofdstroming en de joods-christelijke groeperingen die intussen waren ontstaan; de tijd waarin de rabbijnen maatregelen namen om Joodse christenen uit ambten in de synagoge te weren en de Joodse christenen hun weerzin tegen de Farizeeën op de spits dreven. In een dergelijke Joods-christelijke omgeving werd het Matteüsevangelie schriftelijk vastgelegd.
Des te opmerkelijker is het dat bij Matteüs Jezus’ trouw aan de Tora het meest principieel beleden wordt. De woordkeuze laat geen interpretatie toe: ‘ik ben niet gekomen om kataluo, te vernietigen, op te heffen, maar om kleroö, absoluut te vervullen (Matteüs5,17; in rabbijns spraakgebruik: gestand te doen, te doen staan: kajeem).
Jezus spreekt zich radicaal uit voor de handhaving van de geboden. Sterker nog, iedereen die anderen beïnvloedt om de ‘kleine’ of ‘lichte’ geboden niet serieus te nemen zal in het rijk Gods een ‘kleine’ rol spelen (vers 19).
Jezus staat in de rabbijnse traditie, waar men zich verwonderd afvraagt, waarom bij het ‘lichte’ gebod van het wegzenden van een moedervogel van het nest in Deuteronomium 22,6-7 staat: ‘opdat je je dagen zult verlengen’. Het is zeldzaam dat bij geboden een straf- of loonmaat vermeld wordt en daarom duidt dit vers, volgens de rabbijnse traditie, pars pro toto, op het belang van de ‘lichte’ geboden. In het kader van de eeuwenoude discussies daarover geeft Nachmanides (Spaans-joodse geleerde, 13e eeuw) zijn interpretatie: ‘Ze zijn gegeven om in ons een humane gevoeligheid te wekken’. De joodse traditie beklemtoont niet het abstracte geloof maar het juiste handelen, want, zegt het Sefer HaChinuch ‘het hart volgt de daden na’. De geboden zijn er om ons vertrouwd te maken met handelingen en ervaringen die een verlicht zicht bevorderen, die de menselijke geest en ziel vormen.
In het vervolg werkt Jezus op ‘rabbijnse wijze’ een aantal ‘grote’ of ‘zware’ geboden van de tweede tafel van de Tien Woorden uit. Hij neemt telkens een ‘zwaar’ gebod en leert hoe een ‘licht’ erin verborgen ligt. Hij verwijst naar het gebod in de Tora en geeft daar een uitleg aan.
Onze perikoop begint met het verbod om te moorden. Jezus zegt: het ‘moorden’ begint al veel eerder, als je toornt tegen je naaste.
Dit is in de lijn van de volgende rabbijnse uitspraak over de betekenis van ‘moorden’:
Ieder die zijn naaste in het openbaar doet verbleken (door hem te beschamen) is alsof hij bloed vergiet (Bab. Talmoed Bava Metsia 58b).
Een andere rabbijnse uitspraak verbindt ‘Je zult niet moorden’ met het eerste Woord ‘Ik ben de Eeuwige je God’: Dat leert dat ieder die bloed vergiet door de Schrift gezien wordt als iemand die aan de beeltenis van de Koning afbreuk doet… Want… in het beeld van God schiep hij de mens (Mechilta de Rabbi Jisjmaël, Jithro). Moorden is het beeld van God schenden. En wie zijn naaste beschaamt, is als iemand die moordt.
Het volgende ‘zware’ gebod over echtbreken wordt door sommigen beperkt tot de letterlijke opvatting. Jezus ziet echter de voorfase, het naar een getrouwde vrouw kijken en haar begeren, al als echtbreuk. Ook hier stemt hij overeen met de rabbijnen: ‘Ieder die naar een vrouw kijkt, met opzet, – het is alsof hij al tot haar kwam’ (Masechet Kala). Zij bevestigen hun strikte opvatting met een Bijbelvers uit Job: ‘Opdat je niet zegt: alleen wie met het lichaam echtbreekt is een echtbreker, maar ook wie met zijn oog echtbreekt heet een echtbreker – daarom is gezegd: ‘Het oog van de echtbreker wacht op het duister’ (Job 24,15)’. (Wajikra Rabba Acharé).
Jezus en de rabbijnen bouwen, zoals het in de joodse traditie heet, een hek rond de geboden om te voorkomen dat het tot het uiterste komt. Tegelijk ontwikkelt zich door het ‘hek’ gevoeligheid voor de integriteit van een ander persoon. Op andere plaatsen waarschuwen de rabbijnen een te groot hek rond de geboden te maken, omdat het gevaar bestaat dat het hek valt en de tuin vernielt – dat wil zeggen: teveel bescherming werkt overtreding in de hand.
Het derde gebod in onze tekst komt uit een andere versie van de Tien Woorden in Leviticus 19. Ook hier houdt voor Jezus het gebod niet bij de letterlijke strekking op, maar wordt uitgebreid met de afwijzing van het zweren op zich. Als iemand een gedane eed om welke reden dan ook niet kan vervullen, zou hij de naam van God misbruiken, omdat alles waarbij iemand kan zweren met God te maken heeft. In de rabbijnse traditie komt een algehele afwijzing van het zweren niet voor, wel de waarschuwing om niet lichtvaardig geloften en eden af te leggen. Daarentegen komt deze afwijzing wel voor bij de Essenen, een groepering uit de tijd van Jezus met veel, zeer strikte, leefregels.
Zweren is te ‘gevaarlijk’, maar dat betekent niet dat je je woord niet na moet komen: Je ‘ja’ moet een Ja zijn en je ‘nee’ en Nee.

Themastelling
In de eerste en tweede lezing horen we over de wijsheid van God, zijn bedoeling met de mensheid en de vrijheid die Hij de mens daarbij laat. In de evangelielezing horen we hoe Jezus daarmee omgaat. Met zijn visie als torah spoeden wij ons op weg naar een Rijk der hemelen dat vervuld is van gerechtigheid en welvaart, waarover wordt gezongen in de antwoordpsalm.

Suggesties

Symbolen
Schrijf de Tien Woorden (de Tien Geboden uit het boek Exodus) op een mooi, groot vel papier en hang ze aan de lezenaar. Deze Woorden vormen de kern van waar het in de eerste lezing en het Evangelie van deze dag over gaat.
Het is aan te raden de eerste lezing uit de Wijsheid van Jezus Sirach aan te vullen met de verzen 11 en 14. Deze kunnen eventueel als inleiding gelezen worden.
Verdeel de (lange) Evangelielezing in drie stukken (tweede en derde deel beginnen met ‘Gij hebt gehoord…’). Zing na elk deel een strofe van het lied ‘Vernieuw Gij mij, o eeuwig licht’. De tekst van het lied opent ons hart naar vernieuwing, naar een nieuw verstaan van wat de geboden en wetten eigenlijk zijn: geen starre regels, maar richtsnoeren voor een humane en leefbare wereld. Eventueel kan de verkondiging hierin verwerven worden.

Gebeden voor deze zondag 

Openingsgebed
God, die tot ons spreekt,
wij danken U voor uw Woord
en bidden U:
geef dat wij trouw blijven
aan de weg die U ons wijst
en maak ons tot getuigen
van uw liefde voor ons, uw mensen.
Zo bidden wij U door Jezus Christus,
die met U en de heilige Geest
leeft in de eeuwen der eeuwen. Amen.

Gebed over de gaven
Trouwe God,
zie ons hier, uw mensen.
Zie onze bereidheid om het Woord tot ons gesproken
om te zetten in daden van liefde.
Geef dat wij waarachtig leven,
dat wij trouw blijven aan uw Woord
en van harte ons leven delen
met allen die uitzien naar uw Liefde,
in navolging van Jezus Christus,
uw Zoon, onze Heer. Amen.

Gebed na de communie
Goede God,
wij danken U voor het gegeven Woord,
voor gebroken Brood,
voor uw liefde en trouw.
Blijf ons roepen en wenken,
tot wij thuis zijn bij U,
tot deze aarde een hemel is.
Zo bidden wij U die onze God zijt
tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.