Menu

Arm maar toch rijk

0 Comments

26e zondag door het jaar – 29 september 2019

Arm maar toch rijk
Geeft rijkdom veiligheid? Of is die veiligheid slechts schijn? De boodschap van de Schriften is helder: begrippen als rijkdom en armoede zijn heel betrekkelijk. De context waarin ze staan is belangrijk. Gaat het om dienen of heersen? Leidt rijkdom tot delen? Leidt armoede tot groetere saamhorigheid? Uiteindelijk gaat het er om of de mens gebracht wordt tot verbondenheid. Tot Verbond.

Exegetische notities Evangelie Lucas 16,19-31
Het thema van het verhaal van ‘de arme Lazarus en de rijke vrek’ is al in het begin van het evangelie volgens Lucas uitgewerkt in de lofzang van Maria: ‘die hongeren overlaadt Hij met gaven en rijken zendt Hij heen met lege handen’ (Lucas 1,53). Lucas wil niet in de eerste plaats een bepaalde ethische houding preken, maar de blijde boodschap verkondigen: ‘Zalig jullie die arm zijt, want aan jullie behoort het koninkrijk van God’ (Lucas 6,20). Op een heel eigen manier beeldt Lucas dit thema uit in zijn grote parabels: de ‘parabel van de verloren zoon’, de ‘parabel van de onrechtvaardige rentmeester’ en de parabel van deze zondag. Lucas verkondigd vanuit de verwachting van het koninkrijk van God een herijking van overgeleverde waarden en het herstel van de juiste verhoudingen. Tussen de tweede en de huidige derde parabel lezen we een korte tekst die verstaan kan worden als een toelichting bij de drie parabels: ‘De wet en de profeten gaan tot Johannes; sinds die tijd wordt het evangelie gepredikt van het Koninkrijk Gods en ieder dringt zich erin.’ (Lc.16,16). Dit betekent echter niet dat de Wet van Mozes zou zijn afgeschaft: ‘Gemakkelijker zouden hemel en aarde vergaan, dan dat er van de wet één tittel zou vallen.’ (Lc.16,17). Als illustratie van wat bedoeld wordt, voegt Lucas toe, wellicht overgenomen uit zijn bron: ‘En ieder, die zijn vrouw wegzendt, en een andere trouwt, pleegt echtbreuk; en wie een vrouw, die door haar man weggezonden is, trouwt, pleegt echtbreuk.’ (Lc.16,18). Immers, ‘Wet en Profeten’ horen bij elkaar, zoals uit de laatste zin van het verhaal blijkt: ‘Als ze naar Mozes en de profeten niet luisteren, zullen ze zich ook niet laten overreden, als iemand uit de doden opstaat.’
Daarom mogen wij met recht na de lezing van het evangelie weer teruggrijpen naar de profeet. Door de lezing van de profeet wordt duidelijk dat het om meer gaat dan om een herstel van de juiste verhoudingen. De rijke man wordt in de onderwereld gestraft vanwege zijn onverschilligheid, vanwege het niet zien, niet kunnen zien, niet willen zien, van het onrecht dat aan de arme Lazarus is aangedaan, het doet er niet toe door wie of door welke oorzaak. De Wet, de Profeten en het Evangelie zijn ons gegeven om onrecht goed te maken, want zoals Amos schrijft: Het recht moet stromen als water, de beek van gerechtigheid mag nooit uitdrogen.

Suggesties

  1. Het verhaal van de Soepsteen

In een dorp waar veel armoede was, liep een vreemdeling. Hij had een lange weg achter de rug en was hongerig, maar begreep dat hij in dit arme dorp niet zomaar om eten kon vragen. Het was koud. Toch was er in de meeste huizen geen vuur in de open haard.
In een huis waar wel vuur brandde, zag hij een paar gezinnen bij elkaar zitten. “Dat doen ze zeker om brandstof te sparen”, dacht de vreemdeling. Hij klopte op de deur en vroeg of hij zich ook bij het vuur mocht warmen. De kamer zat al vol, maar iedereen schoof een plaatsje op zodat er voor de vreemdeling ook nog een plaatsje was. De mensen zagen er hongerig uit. Toch werd er geen eten klaargemaakt.
“Ik zou graag soep op het vuur willen koken”, zei de vreemdeling, “hebben jullie een grote pan voor me?” Verbaasd keken de mensen hem aan en vroegen: “Waar wil je soep van koken? Je rugzak is bijna leeg, daar kan niet veel in zitten om soep van te koken.”
De man haalde een mooie steen uit zijn zak en zei: “Dit is een heel bijzondere steen. Een soepsteen. Als jullie een pan met water op het vuur zetten, kan ik van deze steen soep koken.”
De mensen geloofden niet direct wat de man zei, maar ze hadden wel een grote pan en genoeg water, dus konden ze het allicht proberen. De kinderen dachten: “Misschien is die man een tovenaar.” Nieuwsgierig zagen ze hoe hij de steen voorzichtig in de pan met water legde, die op het vuur was gezet. En vol verwachting bleven ze naar de pan kijken, waarin het water langzaam warm werd en tenslotte begon te koken.
Toen zei de man: “Nu zou er eigenlijk een beetje zout aan toegevoegd moeten worden.” De vrouw, die in het huis woonde, stond op en haalde wat zout uit de kast. “Ik heb ook nog een laurierblaadje”, zei ze, “zal ik dat er ook in doen?” “Goed”, zei de man, “Een stukje vlees zou de soep nog lekkerder maken.” De buurvrouw zei: “Ik heb in de kelder nog wat soepvlees voor het avondeten bewaard. Nu we hier samen soep gaan eten, kan ik het er wel bijdoen.” Ze haalde het vlees en nam ook een paar worteltjes uit de tuin mee. “Een ui en een prei zouden er ook goed in smaken”, zei de vreemdeling. “Die heb ik nog in mijn tuin”, zei de overbuurman. “Ik heb nog een restje bonen en wat selderij”, zei een ander.
Iedereen haalde iets op waardoor de soep nog lekkerder en voedzamer kon worden. En even later hing er een heerlijke geur in de kamer. De borden en lepels werden alvast klaar gezet. Na een poosje stond de man op, roerde in de soep en proefde. “De soep is klaar”, zei hij en schepte de borden vol.
Allen smulden van die overheerlijke soep. In lange tijd hadden ze niet zo heerlijk gegeten. Ze aten met elkaar de hele pan leeg. Alleen de soepsteen lag er nog in. De vreemdeling stond op en wilde vertrekken. “Uw soepsteen ligt nog in de pan”, riep een kind, “je vergeet je soepsteen.” “Die mogen jullie houden”, zei de man, “daarmee kunnen jullie nog wel duizendmaal soep koken, als je ’t maar zo doet als we het nu gedaan hebben.” “Dat is een wondersteen”, zeiden de kinderen tegen elkaar.
De vreemdeling lachte toen hij dat hoorde terwijl hij de deur uitging. Buiten het dorp gekomen, zocht hij een mooie ronde steen, stopte hem in zijn rugzak en liep fluitend verder.

Gebeden voor deze zondag

Openingsgebed
Goede God,
als goede mensen hebt Gij ons geschapen,
maar ‘goed leven’ gaat niet zomaar vanzelf.
Open ons hart voor mensen om ons heen.
Doe ons bezorgd zijn voor elkaar.
Heb geduld met ons terwijl wij zo moeizaam leren
wat rechtvaardigheid, liefde en vrede is.
Blijf met ons bezig totdat wij ons uw waarheid
eigen maken en ernaar leven,
naar het voorbeeld van Jezus, uw Zoon,
Hij die leeft met U
en met de heilige Geest in eeuwigheid. Amen

Gebed over de gaven
Goede God,
ons samenzijn rond deze tafel
wil verder reiken dan het hier en nu.
Moge het delen van dit brood en deze beker
ons bewust maken van onze zorg
voor onze naaste, wereldwijd.
Moge het ons verrijken en vernieuwen
en in ons hart weer de gezindheid opwekken
die was in Hem, Jezus, uw Zoon
voor tijd en eeuwigheid. Amen

Gebed na de communie
Goede God,
uw woorden van wijsheid en bemoediging
hebben wij mogen horen,
uw levend Brood mogen ontvangen.
Wij danken U daarvoor en bidden:
laat beide, Woord en Brood, doorwerken in ons,
dat wij groeien als kinderen van het licht,
dat wij mensen worden die de vrede dienen
en leven zoals Hij het ons heeft voorgedaan,
Jezus uw Zoon, die leeft in eeuwigheid. Amen.